(klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen) |
Terug naar het Engelfrieten overzicht |
---|
Naar beneden |
---|
Op onze site hebben wij al het een en ander over de oudste Bankier van Rotterdam, de firma R. Mees en Zoonen :
Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Mees en klik op ENTER
Bijvoorbeeld deze foto's van het interieur en het exterieur:
‘k Ben later in staat gebleken zonder specifieke opleiding de boekhoudmachine bij Mees & Zoonen, Vermogensbeheer te bedienen, aldus Ria op de onderstaande foto.....
Ria stroopt de mouwen op bij R. Mees & Zoonen in 1964
Ook Aad heeft hier ooit vakantiewerk gedaan en vervulde toen de taak, de Hoop van Mees, aldus de overlevering....
R. Mees & Zoonen
natuurlijk aan de Blaak
Maar natuurlijk hebben we ook al heel lang een biografie van Marten Mees op onze site:
Marten Mees
1828 - 1917
LINK
En dus nu tijd voor een aantal verhalen, want in 1970 verscheen een boekje t.g.v. het 250-jarig bestaan en daar vonden we o.m. dit in :
Maar eerst nog een citaat uit ons windhandel verhaal, want in 1720 begon het immers allemaal, ook met de fa Mees en Zoonen:
Als officiële datum waarop de basis werd gelegd voor de Rotterdamse bankiers- en assurantiemakelaarsfirma R. Mees & Zoonen, wordt 1 januari 1720 aangehouden: op deze dag werd Gregorius Mees beherend vennoot van de toen reeds enkele decennia bestaande firma Cordelois & De Vrijer. In 1733 traden Cordelois en De Vrijer terug en zette Gregorius Mees de zaak alleen voort.
De windhandel was begonnen in Frankrijk en Engeland, waar staatsschuldbekentenissen werden omgezet in aandelen die al spoedig zeer gewild waren, en de grote speculatiekoorts waaide in 1720 over naar de Republiek.
Allerlei nieuwe en soms merkwaardige ondernemingen werden uit de grond gestampt om in de behoefte aan speculeren met aandelen te voorzien. De inderhaast opgerichte ondernemingen hielden zich bezig met handel, scheepvaart, assurantie, visserij en nijverheid. De windhandel duurde tot de herfst van 1720 en de meeste nieuwe ondernemingen overleefden die periode niet.
Een van de weinige in 1720 opgerichte ondernemingen die wél na het oprichtingsjaar bleef bestaan, is de Maatschappij van Assurantie, Discontering en Beleening der Stad Rotterdam. Het was onder andere een (Zee-) verzekeringsmaatschappij, een nieuw verschijnsel, waarmee tegemoetgekomen werd aan de behoefte aan kapitaal voor het verzekeringsbedrijf.
Tot de belangrijke bankiersbedrijven in Rotterdam behoorde Jan Osy en Zoon, (we kennen de familie ook als de geldschieters voor de bouw van de St. Rosaliakerk, LINK) een in 1720, mogelijk naar aanleiding van de windhandel, opgerichte handelsfirma. Tegen het einde van de achttiende eeuw hielden de katholiek gebleven, van oorsprong Franse Osy's zich bezig met een bonte mengeling van bankiers-, reders- en warenhandelstransacties waarin een post van 86 masten net zo goed meetelde als een lening van een paar millioen.
Vergelijkbaar succes boekte in de laatste decennia van de achttiende eeuw de firma R. Mees en Zoonen, een voortzetting van het kassiersbedrijf Cordelois, De Vrijer en Mees dat sedert 1720, toen Gregorius Mees als vennoot toetrad, onder deze naam opereerde.
Behalve deze twee grote telde Rotterdam de kleinere bankiers als David Chabot en Zoon en Jan Havelaar en Zoon die in de tweede helft van de achttiende eeuw waren ontstaan. Deze kassiersbedrijven ontwikkelden zich voorspoedig en hielden tot ver in de negentiende eeuw stand.
We kregen prompt een reaktie van Ria, uiteraard ook n.a.v. dit verhaal van haar :
Heb ooit bij Mees gewerkt. Weet zelfs nog van het verdriet van de heeren Mees over het telefoonnummer. Ooit werden nieuwe nummer uitgegeven in Rotterdam. De heeren Hope waren eerder wakker en kaapten het nummer eindigend op -1720 weg. Hadden zij willen hebben!
Van de Rotterdamse stedelijke instellingen, betrokken bij de financiële wereld, moeten worden genoemd de Wisselbank en de Bank van Lening. De stedelijke leenbank, bedoeld als een kredietinstelling voor de handel, was al in 1673 in de problemen gekomen door geld voor te schieten op koopmansgoed en raakte in het begin van de achttiende eeuw als zodanig in onbruik. De instelling beperkte zich tot veilige beleningen en boekte na 1750 zelfs winst. De Rotterdamse Wisselbank verleende evenals de veel grotere Amsterdamse Wisselbank kredieten, o.a. aan de Maatschappij van Assurantie, Discontering en Beleening der stad Rotterdam. De Wisselbank was hiervoor niet bedoeld, maar er lag veel geld improductief en men hield de omvang van de kredieten beperkt.
De Amsterdamse Wisselbank deed dat niet en kwam door een zeer groot krediet aan de VOC in de jaren tachtig in de problemen.
De betekenis van de Wisselbank verminderde door de afname van de bankgeldwissels, de opkomende wisselhandel die de Wisselbank verdrong en door de stabilisering van het courante geld dat de basis werd van het geldsysteem. De Rotterdamse Wisselbank, opgericht t.b.v. de stapelhandel, werd na 1795 vrijwel overbodig en is in 1812 opgeheven.
De Maatschappij van Assurantie, Discontering en Beleening der Stad Rotterdam was tot 1848 gevestigd in de Oude Hoofdpoort, de Wisselbank was gevestigd in de Blauwe Toren en de Bank van Lening aan de Lange Torenstraat. Gelukkig hebben we van al deze gebouwen hele mooie prenten... :
1660
De Oude Hoofdpoort of St. Laurenspoort
LINK
1823
Gezicht vanuit de Maas op de ingang van de Oude Haven
rechts de Ooster Oude Hoofdpoort
links de Wester Oude Hoofdpoort
LINK
1853
Gezicht vanuit de Maas op de ingang van de Oude Haven
rechts de Ooster Oude Hoofdpoort
LINK
Rechtsachter de Oude Hoofdpoort stond de waltoren met de naam Blauwe Toren :
1700
De Groote Stadskraan en de Blauwe Toren, een oude waltoren en gevangenis
van 1635 tot 1700 was in de Blauwe Toren de Wisselbank gevestigd
links de Kleine Draaibrug naar de Kleine Draaisteeg en dat alles vanaf de Kolk
later werd hier Plan C gebouwd
LINK
1752
De Bank van Lening van Rotterdam
Aan de Slijkvaart, de latere Lange Torenstraat
LINK
In 1719 en 1720 werden dus achtereenvolgens Frankrijk, Engeland en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden geteisterd door een golf van speculatiewoede, die net zo op de verbeeldingskracht van de tijdgenoten werkte als de tulpenhandel van 1636- 1637 dat had gedaan.
Die tulpenhandel is altijd beschouwd als een geïsoleerd gebeuren, waanzinnig wellicht, maar met schade voor niets en niemand anders dan de deelnemers. De belangrijkste overeenkomst tussen de tulpenspeculatie en de actiehandel van 1720 is dat in beide gevallen het handelsobject verkocht werd tegen steeds verder opgedreven prijzen, die steeds minder correspondeerden met de waarde van het object. De speculanten betaalden voor een tulpenbol of een aandeel in een maatschappij, die nog geen enkel resultaat geboekt had en dat hoogstwaarschijnlijk ook nooit zou doen, bedragen, waarvoor zij een huis hadden kunnen kopen of een belangrijke investering hadden kunnen doen. Toch heeft de actiehandel een veel bredere en langduriger wetenschappelijke discussie veroorzaakt dan de tulpenhandel.
Een actie is een portie of aandeel in een onderneming, die met gezamenlijk kapitaal werkt, een actiecompagnie of naamloze vennootschap. De Republiek kende deze organisatievorm al, evenals overigens Frankrijk en Engeland.
In de Republiek bestonden immers sinds 1602 en 1621 de Verenigde Oostindische Compagnie en de West Indische Compagnie, die wel actiecompagnieën waren, maar een duidelijk publiekrechtelijk karakter hadden. In hun aandelen werd van het begin af en ook in 1720 eveneens speculatief gehandeld.
De nieuwe actiecompagnieën zoals die in 1720 naar Engels voorbeeld overal in de Republiek werden opgericht, hadden een privaatrechtelijk karakter en dat was in de Republiek nieuw.
Een jaarbalans uit 1729
De aktiviteiten van de firma richtten zich op de kassierderij en de makelaardij in wissels en assurantiën.
Kassiers waren oorspronkelijk degenen die geld in ontvangst namen en bewaarden tegen een kassiersloon, gewoonlijk 1/8 % per annum. Het algemeen erkende gebruik stond de kassier toe het ontvangen geld weer aan derden uit te lenen, waardoor het niet ongebruikt bleef liggen, maar de algemene welvaart ten goede kwam.
Men maakte in Rotterdam geregeld gebruik van de kassierspromessen en -kwitanties van de firma R. Mees & Zoonen, lang voordat de cheque gemeengoed werd.
De makelaardij in wissels bestond uit de koop en verkoop van zowel binnenlandse als buitenlandse wissels voor rekening van derden. De firma bezat zelf geen saldi in het buitenland aangezien dit in strijd zou zijn met het karakter van het bedrijf en de onafhankelijke positie van de makelaar.
Als makelaar in assurantiën trad de firma destijds voornamelijk op ten behoeve van reders en kooplieden om hun zeeverzekeringen bij de assuradeuren onder te brengen.
Op de naleving van de bepalingen op het gebied van de makelaardij werd streng toegezien. In de keur of ordonnantie van 1719 op het stuk van de Makelaers en Pontgaerders van de stad Rotterdam, was het verbod opgenomen om met een ander te makelen voor gemene rekening; in feite een verbod van associatie. Dispensatie was echter te verkrijgen door bij iedere voorgenomen associatie een request aan de Burgemeesteren en Regeerders der Stede Rotterdam te richten, in de jaren vóór 1750 voorzien van referenties in de vorm van adhesiebetuigingen van de handelaren en reders.
De stedelijke overheid ging zeer ernstig op de requesten in en drukte de firmanten Cordelois, De Vrijer en Mees in 1720 op het hart geen geheymelijke societeyten of complotterijen met andere makelaers onder de hand te maken.
Langzamerhand wordt de dispensatie-aanvraag tot een formaliteit, hoewel Johan Gregorius Mees in 1807 nog een dergelijk verzoek richt tot het stadsbestuur van Rotterdam. In het laatste deel van de achttiende eeuw wordt echter de associatie zonder veel formaliteiten gevraagd en toegestaan, zij het na ingewonnen advies van de Hooftluyden van het Makelaersgilde en tegen geldelijke vergoeding aan de Diaconiescholen.
Hoe zag het stadsplan van Rotterdam er ten tijde van het ontstaan van de firma uit ?
De kaart van het stadsplan van Rotterdam uit die tijd toont een driehoekige stadsmuur met de haven als natuurlijke begrenzing aan de zuidzijde. Een van de hoofdaders uit de haven naar de binnenstad vormt de Blaak. De firma zou echter eerst in 1745 het pand aan de Blaak betrekken. Franco Cordelois had namelijk kantoor aan huis en woonde aan de Geldersche Kade. Hij zag uit op de Oude Haven die één geheel vormde met de Blaak, die toen alleen overbrugd werd door de Gaperbrug bij de Beurs.
Over de Gaperbrug bereikte men de Beurs, die in 1635 was gebouwd mede op verzoek van het machtige Engelse koopmansgilde, de Merchant Adventurers, waaraan vele continentale Noordzeehavens graag huisvesting verschaften. Deze Merchant Adventurers verlangden in alle steden waar zij zich vestigden dezelfde faciliteiten die zij in hun eigen steden gewend waren.
Uit ons verhaal
laten we dit nog zien, ook dit komt terug in ons verhaal over de geschiedenis van de beurs van Rotterdam:Hieronder vielen de bouw van een beurs en een wisselbank. Aan beide eisen werd voldaan in 1635: de Rotterdamsche Wisselbank kreeg onderdak in de Blaauwe Toren recht tegenover de Beurs.
1780
Oude Haven en Geldersche Kaai
Links de Gapersbrug (afgebroken in 1826) met de Beurs
Rechts Kleine Draaibrug
Tussen de 2 bruggen werd later Plan C gebouwd en Station Beurs
1700
De Groote Stadskraan en de Blauwe Toren, een oude waltoren en gevangenis
van 1635 tot 1700 was in de Blauwe Toren de Wisselbank gevestigd
links de Kleine Draaibrug naar de Kleine Draaisteeg en dat alles vanaf de Kolk
later werd hier Plan C gebouwd
Rotterdam kreeg in 1731 een nieuwe ordonnantie op het stuk van Asseurantie ende van Avarye : mitsgaders Zeezaken: het verzekeringsbedrijf begon daarmee een nieuwe periode.
De handel in het algemeen vertoonde nieuwe energie en het meest sprekende voorbeeld daarvan was wel de bouw van de nieuwe Beurs, waartoe in 1722 werd besloten.
Ook de volgende prenten komen uit ons Beurs van Rotterdam verhaal:
1694
In 1635 kreeg Rotterdam z'n 2e Beurs aan de Blaak
1696
De beurs van Rotterdam aan de Blaak
1730
De 3e Beurs van Rotterdam aan het Westnieuwland
ontwerp Van der Werff
links de Blaak, de brug is de Gapersbrug, tegelijk gebouwd met de 3e Beurs
1780
De 3e Beurs van Rotterdam aan het Westnieuwland
ontwerp Van der Werff
met weer de Gapersbrug, tegelijk gebouwd met de 3e Beurs
1783
De 3e Beurs van Rotterdam aan het Westnieuwland van binnen....
1830
De 3e Beurs van Rotterdam aan het Westnieuwland
de Gapersbrug is nu van steen
er is nu ook ruimte voor o.m. een bloemenmarkt
Nederland genoot van de vrede (de Spaanse Successie-oorlog eindigde in 1713) en de handel floreerde. Dit duurde tot omstreeks 1750 waarna een moeizame tijd voor de handel en aanverwante bedrijfstakken aanbrak. De resultaten, tot uiting komend in de verlies- en winstrekeningen van de firma, tonen een gestadige, zij het onregelmatige vooruitgang. Blijkbaar wordt de firma door de Rotterdamse handelaren en reders beschouwd als een te goeder naam en faam bekend staand bedrijf, waarmee men graag in relatie staat.
Tekenend is ook dat de kooplieden in de adhesie-betuiging, horend bij het onderstaande request van Gregorius Mees uit 1748, stellen door dienst en handelingen tot heden toe ten vollen te zijn vergenoegt en dat zij de firmanten considerable capitalen met alle gerustheid hebben toevertrouwd. De adhesiebetuiging wordt met grote forse handtekeningen ondertekend door o.m. de broers Isaac en Zachary Hope van de gelijknamige firma Hope, ook uit Rotterdam. Hope zou zich later gaan toeleggen op de financiering van vele emigranten op weg naar de USA.
1748
Adhesie betuiging bij een request
tot associatie van Gregorius Mees
Rechts bovenaan de handtekeningen van Isaac en Zachary Hope
Citaat uit ons verhaal Ook de Quakers hadden iets met Rotterdam:
Het vervoer naar Amerika werd georganiseerd door de firma Archibald en Isaac Hope.
1720
De Rotterdammer, ook van Schotse afkomst
Archibald Hope
ook een van de deelnemers van de Rotterdamse windhandel
LINK
Het latere bankiersbedrijf Hope & Co stamt af van Archibald en Isaac Hope.
De topjaren in het vervoer naar Amerika waren de jaren 1738, 1744, 1753 en 1765. In 1753 werden bijvoorbeeld 3000 mensen overgezet, voornamelijk uit de Palts. Per persoon moest in 1726 dfl 60,= worden betaald, in 1735 was de prijs gedaald naar dfl 11,=, tijdens de topjaren liep de prijs soms weer fors op. Uiteraard moest vooruit betaald worden en waren er daarom ook allerlei onbetrouwbare tussenpersonen......
De Doopsgezinden van Rotterdam waarschuwden voor deze onbetrouwbare tussenpersonen en schoten soms ook, indien nodig, de overtochtskosten voor !
Rudolf Mees
Directeur van 1753 - 1802
Zijn vader, Gregorius Mees, introduceerde het familie motto
I despise all pomp and parade
Nadat in 1733 Cordelois en De Vrijer zich hadden teruggetrokken, heeft Gregorius Mees de zaak 20 jaar alleen voortgezet. In 1755 worden de zonen Rudolf en Adriaan Mees in de firma opgenomen. Op 1 Januari 1780 kiest zoon Rudolf voor de naam R. Mees & Zoonen....
Klik hier voor de overige verhalen over R. Mees en Zoonen |
---|
![]() |
wat zijn we trots op ons familiewapen ...., beetje jaloers zeker .... |
Terug naar de top |
---|