(klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen) |
Terug naar het Engelfrieten overzicht |
---|
Naar beneden |
---|
Dit verhaal over de periode 1815 - 1830 oftewel de aanleiding tot de Belgische opstand en afscheiding vanaf 1830 is een vervolg op dit verhaal
Gijsbert Karel van Hogendorp
Uit dit verhaal beginnen we met een citaat:
In September 1815 werd Gijsbert Karel van Hogendorp in de adelstand verheven, voortaan mocht hij zich Graaf noemen, voor zijn kloek en schrander beleid, voor de hooggestemde moed en edele zelfopoffering, die hij in het beginnen, voortzetten en volenden van Nederlands glorierijke herstelling aan de dag had gelegd.
De Grondwet uit 1815
1815
De opening van de Staten Generaal van het Verenigde Koninkrijk der Nederlanden in Brussel
op de troon Willem I
1817
Het Verenigde Koninkrijk der Nederlanden
En toen wachtte geheel onverwacht in 1815 een nieuwe taak voor van Hogendorp, de nog verse Grondwet moest herschreven, Nederland werd op het Congres van Wenen herenigd met het latere Belgie. Hogendorp voelde veel verwantschap met de, laten we ze maar vast zoo noemen, de Belgen, een industrie staat in wording. In Belgie waren ze voorstander van een vrije handel, iets waar Willem I op tegen was, die geloofde meer in protectie.
Kortom, toen Hogendorp weer eens een brochure had geschreven over de voordelen van de Vrijhandel, verzocht Willem Hogendorp deze brochure niet aan de Belgen te laten lezen. Hogendorp ging echter door, hij vond dat hij als Vice-President van de Raad van State daartoe gerechtigd was, nu zouden we zeggen, uiteraard, maar in die tijd ging het nog anders. Willem I dwong Hogendorp toe te geven, het druistte in tegen alles waar Hogendorp in geloofde. Langzamerhand kwam Hogendorp tot het besef dat het idee van een Koninkrijk als Staatsvorm goed was, maar dat de huidige persoon die de rol van Staatshoofd vervulde, niet begreep wat zijn rol eigenlijk zou moeten zijn. Willem I had zelfs gedreigd hem zijn benoeming als Vice-President van de Raad van State te ontnemen... het begin van het einde in de relatie tussen Hogendorp en Willem I.
Willem I ging er een gewoonte van maken om Hogendorp niet meer te laten uitspreken in de Raad van State, ook ging Willem I plotseling over op een heel ander onderwerp etc etc. Na de 3e keer zo'n vergadering te hebben meegemaakt verzocht Hogendorp om gezondheidsredenen ontslag als Vice-President van de Raad van State. Zelfs Wilhelmina, de moeder van Willem I, verzocht hem aan te blijven, Hogendorp reageerde op geen enkele wijze op al dit soort verzoeken. Alleen aan Van der Duyn vertelde hij:De sluijer is verscheurd en de begoocheling verdwenen
Gijsbert Karel werd lid van de 2e Kamer, daar was hij veel vrijer om te spreken, de 1e Kamer, ingesteld op verzoek van de Belgen, daar had Willem I hem liever, maar Hogendorp reageerde niet op deze stille wenk van Willem I.
Willem I was een doener, iemand die ook niet kon delegeren en het ook niet kon hebben als iemand een andere mening had, zoals de Belgen in 1830....Van Willem I wordt gezegd dat zijn Ministers zich verveelden, in tegenstelling tot de werkkamer van Willem I, dat leek meer op een papierfabriek, aldus...... Hogendorp. Willem I probeerde ook steeds meer allerlei Staatsorganen te omzeilen, langzamerhand werd Nederland gerund, zouden we nu zeggen, door slechts 1 persoon, Willem I. Hogendorp zei er zelf dit over:
Voor Van Hogendorp was het optreden van de Koning een gruwel. Zijn geweten leed eronder, want de majesteit van de Grondwet tastte het aan en bovendien was het een vorst uit het Huis van Oranje, die dit onoirbaar, inconstitutioneel spel bedreef:
Er is in dit geheel bedrijf iets willekeurigs, iets buiten weten van de wet, hetwelk onder ons maar al te veel plaats heeft, en uit het karakter van den Koning voortvloeit. De Grondwet schrijft voor, dat alle wetten zullen gemaakt worden met gemeen overleg van de Staten-Generaal; maar de Koning houdt zo vele zaken als hij kan buiten de wet, en regelt ze door besluiten. Zo zeggen sommige Franschen, que le roi doit régner par des ordonnances. Dit is niet anders, dan de volstrekte magt wederom invoeren.
Wij zijn nog niet zo ver gevorderd, om te begrijpen, dat de wet alleen over ons moét heerschen, dat ook de Koning onder de wet is, en dat zijn geheel bestuur slegts dient te bestaan in de toepassing en uitvoering der wetten.Het groote werk van den Koning in het algemeen bestuur binnen 's lands is de handhaving en de uitvoering der Wetten, dat is der Grondwet en der Wetten uit de Grondwet voortgevloeid.
Verder te gaan met de reglementen dan de wetten medebrengen zoude zijn zelf wetten te maken. Maar dit kan niet geschieden zonder overtreding der Grondwet, al was het, dat de Staten-Generaal den Koning daartoe magtigden bij eene wet.
Zulk eene wet zoude vlak strijdig zijn met de Grondwet, met de magt door de Grondwet aan de Staten-Generaal toegevoegd en waarvan zij zich niet mogen ontslaan. Zulk eene wet zoude te allen tijde nietig en van geene waarde zijn.
Op onze site hebben we ook nog dit verhaal
November 1813, hoe de Fransen zich zelf verdreven uit Rotterdam en de rest van Holland
We schreven al: In 1830, bij de opstand en afscheiding van België, toonde Van Hogendorp: "jegens de opgestane Zuid-Nederlanders een in het Noorden uiterst zeldzame mate van begrip".
Want wat de Belgen eisten was o.m. vrijheid van drukpers, ministeriele verantwoordelijkheid, onafhankelijke rechtbanken.... Hogendorp was het er eigenlijk mee eens. Hogendorp merkte op dat in het Zuiden de Hollandse naam bezwalkt was, omdat men Holland met de Koning verwisselde.
De brochure produktie van Van Hogendorp bereikte in deze dagen een hoogtepunt, sommige brochures werden tot 6x toe herdrukt, maar niet iedereen begreep ze, want het land en dan vooral de Noordelijken waren slechts vervuld van 1 ding, HAAT tegen de Zuiderburen.
Een toen nog jonge Thorbecke schreef in die dagen aan Groen van Prinsterer verongelijkt dat men de oorzaken der ontbinding van het Rijk alleen in het Zuiden zocht. Stel dat Willem I zich vanaf 1815 anders had opgesteld, heel zachtjes: misschien iets beter naar de adviezen van Hogendorp had geluisterd, what-if....
Koning Willem I
Niet uit eigen verlangen waren de bewoners van het huidige Nederland en België in 1815 in één staat te zamen gebracht. Het Verenigd Koninkrijk was een schepping van het Wener Congres, bijeengekomen tot regeling van de toestand in Europa na de val van Napoleon. De vereniging van het grondgebied van de oude Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden met dat van de vroegere Oostenrijkse Nederlanden kwam wél tegemoet aan de wensen van Willem Frederik, de Kroonprins van Oranje die als Koning Willem I over het nieuw gevormde rijk zou regeren. Hij was de zoon van de laatste stadhouder van de Republiek, Willem V, die in 1795 voor de binnenrukkende Franse troepen was gevlucht. Het is bekend dat de Kroonprins reeds vóór de ineenstorting van de Republiek dacht aan herstel van de vroegere eenheid van de vroegere Zeventien Nederlanden, zoals die in de zestiende eeuw onder keizer Karel v had bestaan.
1548
Karel V
Citaat uit dit verhaal:
Tot ook dit gewest zich - in 1543 - onder het gezag van Keizer Karel V stelde. Zo waren de Zeventien Nederlandse gewesten nu onder één heer verenigd. Ook Karel V heeft er naar gestreefd zijn gebied zoveel mogelijk tot eenheid te brengen en ook hij riep wel de Staten-Generaal bijeen.
Na zijn tante Margaretha werd zijn zuster Maria landvoogdes. Zij werd bijgestaan door drie raden: die van Financiën, de Geheime Raad en de Raad van State.
Karel V verenigde de Nederlandse gewesten tot één kreits: de Tiende of Bourgondische van het Duitse Rijk, maar sterk was de band niet. Ook bepaalde hij, dat al de zeventien gewesten dezelfde erfopvolging zouden hebben.
De Nederlandse gewesten vormden in Karels tijd een van de dichtst bevolkte streken van Europa. Meer dan 200 grote steden, wel 150 grote dorpen, die niet veel minder waren dan steden, en 6000 kerkdorpen lagen over deze landen verspreid. Van de inkomsten van de keizer brachten zij meer dan een vierde op.
De latere Koning Willem I schreef in 1796 al de volgende brief: Ik beken dat ik persoonlijk deze vereniging, die reeds zeven jaar het voorwerp van mijn verlangen heeft uitgemaakt, zeer zou wensen en dat het mijn aangenaamste droom is de verwerkelijking ervan te veronderstellen.
Inderdaad werd die droom in 1815 werkelijkheid, maar voor Willem zelf waren er twintig bittere jaren van ballingschap aan voorafgegaan. Gedurende die tijd had hij bestuurlijke ervaring opgedaan in de Nassause erflanden en in Fulda en Corvey, enkele kleine vorstendommen die in 1802 aan zijn vader waren toegewezen als compensatie voor het verlies van de stadhouderlijke waardigheid.
De Kroonprins voelde bewondering voor Napoleon, die toen als eerste consul in Frankrijk de macht in handen had. Een toenaderingspoging boekte echter weinig resultaat en evenmin was de prins succesvol toen hij in 1803 probeerde van het in Nederland heersende Staatsbewind financiële vergoeding te krijgen voor de vervallen aanspraken van de Oranjes. Na omkoping van de machtige Franse minister van buitenlandse zaken, Talleyrand, kwam het weliswaar tot een overeenkomst, waarbij aan de Oranjes een bedrag van vijf miljoen zou worden uitgekeerd (en waarbij vijf ton bestemd was voor Talleyrand), maar toen Napoleon lucht van de zaak kreeg gaf hij onmiddellijk bevel de affaire te staken.
Na de dood van Stadhouder Willem V in 1806 trok Napoleon bovendien de Duitse gebieden weer tot zich en Willem vertrok naar Berlijn, de hoofdstad van Pruisen. Hij moest zich daar voornamelijk beperken tot vruchteloos plannen maken totdat in 1812 het einde van Napoleons heerschappij tastbaar nabij kwam door zijn nederlaag in Rusland. Met Britse steun zouden Rusland, Oostenrijk en Pruisen in de komende jaren definitief een einde maken aan het Franse keizerrijk. Willem vertrok begin 1813 naar Groot-Brittannie om er de benodigde steun te vinden voor het herstel van het gezag van de Oranjes in Nederland.
De Britse regering had echter wel enige reserves ten aanzien van zijn pretenties: had hij eerder niet geprobeerd met Napoleon tot een vergelijk te komen?
Men dacht er daarom wel over in plaats van de Kroonprins zijn zoon (de latere koning Willem II) naar voren te schuiven. Deze genoot namelijk in Groot-Brittannie een zekere populariteit door zijn opvoeding te Oxford en door zijn militaire prestaties als adjudant van de hertog van Wellington in Spanje.
Al spoedig verenigden de politici zich echter met het oordeel van Wellington over de zoon als een zwak karakter van wie weinig verwacht kan worden.
Door een verstandig optreden slaagde de Kroonprins er bovendien in de Britse regering voor zijn inzichten te winnen en Castlereagh, de minister van buitenlandse zaken, verstrekte de prins inderdaad een garantie van Britse steun.
Intussen kon pas in het najaar van 1813, na de nederlaag van Napoleon in de slag bij Leipzig, enige klaarheid worden gebracht in de verwarde situatie in Europa. De bondgenoten bleken het al snel eens te zijn over de oprichting van een sterke staat in het noordwesten van Europa, die als bolwerk van de Europese vrijheid mogelijke Franse agressiepogingen in de toekomst krachtig zou kunnen weerstaan. In feite betekende dit een uitbreiding van het grondgebied van de Republiek naar het zuiden.
30 November 1813
De landing van de zoon van Stadhouder Willem V in Scheveningen
de latere Koning Willem I
Op 30 November 1813 zette Willem voor het eerst weer voet op vaderlandse bodem, nadat een driemanschap bestaande uit Gijsbert Karel van Hogendorp, baron Van der Duyn van Maasdam en graaf Van Limburg Stirum een tiental dagen tevoren in zijn naam het Algemeen Bestuur op zich had genomen.
Van boven naar beneden :
Gijsbert Karel van Hogendorp
Leopold Van Limburg Stirum
Adam Francois Jules Armand Van der Duyn van Maasdam
Willem nam de titel aan van Souverein Vorst, de koningstitel blijkbaar in reserve houdend voor zijn groter Nederlandse plannen. Hij liet terstond blijken een nationaal vorst te willen zijn door ook de vroegere tegenstanders van het stadhouderlijk regime welwillend tegemoet te treden.
Onder de Republiek hadden de Oranjes in een wat tweeslachtige positie verkeerd. Als stadhouders waren zij de dienaars der Staten, maar steunend op hun populariteit onder het volk en door hun bevelhebberschap over het leger hadden zij in feite een souvereine positie in kunnen nemen. Bij meningsverschillen was het huis van Oranje echter zelf ook altijd partij geweest en in het grote conflict op het einde van de achttiende eeuw tussen patriotten en prinsgezinden plaatste het zich ten slotte definitief aan de zijde van het behoud.
17 Januari 1795
Het vertrek van Stadhouder Willem V uit Scheveningen
Na de vlucht van de stadhouderlijke familie in 1795 was er geen Oranje meer in het land geweest, terwijl op den duur de contacten zo schaars waren geworden dat in november 1813 het driemanschap zelfs niet wist of de Kroonprins zich in Pruisen of in Groot-Brittannie bevond.
De oude tijden komen wederom! had Van Hogendorp beloofd, maar Willem I had van het verleden geleerd en was vastbesloten het zover niet te laten komen. Zijn regering diende niet alleen te steunen op de oude regentenstand, aangezien de basis van zijn bewind dan te smal zou zijn. Daarom nam hij ook mensen op die eerst in de Bataafse en de Franse tijd naar voren waren gekomen, zoals C. F. van Maanen, die zijn trouwe minister van justitie werd en A. R. Falck, die zijn vorst diende als secretaris van staat en later als minister. Het probleem van collaboratie met de verdreven Franse bezetters speelde nauwelijks: alles was 'vergeven en vergeten' en velen gingen zonder enige onderbreking van Franse dienst over in die van de Souvereine Vorst.
Om zijn tegemoetkomende houding heette het wel dat de Kroonprins 'patriots' was geworden, maar bedenk daarbij wel dat de meeste banen toch naar oud-regenten gingen. Door zijn tactiek van vergeven en vergeten slaagde Willem I er in elk geval in alle partijen achter zijn bewind te scharen. Als de van allen geëerbiedigde, gelijkelijk van allen geliefde Willem werd hij dan ook verwelkomd door de nationale lofredenaar Van der Palm.
Zo zijt gij door God gevormd, om te wezen wat gij voor ons geworden zijt; de grootste weldaad der Voorzienigheid voor het herstelde Nederland, de beste koning, dien het immer zich wensen kon !
Inderdaad was Willem I door zijn bezadigd optreden bij uitstek geschikt voor de zware taak een nieuw bestel te vestigen in Nederland. De oude federale staatsvorm van de Republiek, waarin elk gewest zijn eigen, particuliere belangen behartigde, werd definitief vervangen door de nationale eenheidsstaat, terwijl de onbestemde positie van de Oranjes als stadhouders plaats maakte voor de constitutionele monarchie. Die veranderingen vonden hun bevestiging in de grondwet van 1814, gebaseerd op een ontwerp van Van Hogendorp. Vooral in de naamgeving bleef daarin veel van het oude bewaard, zoals de aanduiding Staten-Generaal voor de volksvertegenwoordiging, maar uiteindelijk werden de vernieuwingen van het voorbije revolutietijdperk toch grotendeels gehandhaafd. Het zwaartepunt van de regering berustte voortaan bij de centrale regering in Den Haag en was niet meer verspreid over een aantal provincies. Het huis van Oranje trad thans op als symbool van nationale eenheid, staande boven de partijen.
Terwijl in het Noorden het nationale leven zich langzaam herstelde en de discussie over de grondwet vorderde, naderden de zaken in het Zuiden eveneens een beslissing. Als grondslag van de vereniging van Noord en Zuid hadden de mogendheden begin 1814 de door Falck opgestelde 'acht artikelen' aanvaard, met het befaamde eerste artikel dat voorschreef dat de vereniging 'innig en compleet' zou zijn. 6 In juni 1814 werden deze acht artikelen door de mogendheden ondertekend in een protocol dat voorschreef dat Noord en Zuid 'de meest volmaakte vereniging' zouden vormen. De Souvereine Vorst werd benoemd tot hoofd van de voorlopige regering in het Zuiden, terwijl zijn zoon, de latere Koning Willem II, werd aangewezen als commandant van de in België gelegerde geallieerde troepen.
Koning Willem II
LINK
Maar tot verbazing en ergernis van de Britse regering weigerde Willem I aanvankelijk met deze regeling akkoord te gaan. Want Willem I had grootse plannen inzake de omvang van zijn rijk, waarvan hij de grenzen zich reeds tot de Moezel zag uitstrekken. In bovengenoemd protocol werd de afbakening van het Belgische gebied echter in het vage gelaten en zeker zat er geen uitbreiding in tot aan de Moezel, omdat ook Pruisen gebiedsuitbreiding in die richting wenste. Willem I kreeg dus België slechts toegewezen tot aan de Maas, met welke regeling hij onder druk van Groot-Brittannie ten slotte ook instemde.
Toch onderging de Oostelijke grenslijn van België nog wel enige wijziging. Men werd het er in Wenen over eens dat het vroegere Prinsbisdom Luik bij België zou worden gevoegd. Bovendien werd Willem I Groothertog van Luxemburg, dat hem werd toegewezen als compensatie voor het verlies van zijn Nassause erflanden. Als Groothertog van Luxemburg zou hij ook toetreden tot de Duitse Bond. Dat was een federatie van alle Duitse staten die in de praktijk de enige, zwakke verwerkelijking betekende van alle plannen voor Duitse eenheid die in het revolutietijdperk waren gesmeed. Nog voor de ratificatie van de Weense akkoorden had de Souvereine Vorst in maart 1815 de titel aangenomen van Koning der Nederlanden. Dat was gebeurd op advies van Van Hogendorp, als reactie op de ontsnapping van Napoleon van Elba, opdat de nieuwe Belgische onderdanen zouden weten waar zij aan toe waren.
Na de slag bij Waterloo, waarin de Prins van Oranje zich onderscheidde en gewond raakte, was het gevaar voor het jonge koninkrijk echter geweken.
Het ging er nu in de eerste plaats om, uitvoering te geven aan de acht artikelen, die voorschreven dat de Noord-Nederlandse grondwet ook voor het Zuiden zou gelden. Daarbij waren echter bepaalde wijzigingen noodzakelijk, die met wederzijds goedvinden moesten worden vastgesteld. Een commissie onder leiding van Van Hogendorp stelde daarom een herziene versie van de grondwet op.
De Grondwet uit 1815
Daarbij werden de Staten-Generaal gesplitst in twee kamers, waarvan de Tweede Kamer via een ingewikkeld stelsel van getrapt kiesrecht door de kiezers zou worden samengesteld. Noord en Zuid zouden door een gelijk aantal leden vertegenwoordigd zijn.
De leden van de Eerste Kamer zouden door de Koning voor het leven worden benoemd; dit instituut was een concessie aan de Belgische hoge adel, die aanvankelijk een Hogerhuis naar Brits model, als erfelijke adelsvertegenwoordiging, had gewenst. De vergaderingen van de Tweede Kamer zouden openbaar zijn, zodat de natie kennis kon nemen van het verhandelde. Dat was een nieuwigheid die indruiste tegen de oude regentenmentaliteit, die alle zaken het liefst binnenskamers afdeed.
Eveneens nieuw waren de grondrechten, zoals de vrijheid van drukpers, de vrijheid van godsdienst en het recht van petitie. De regering zou om het jaar beurtelings in het Noorden en in het Zuiden gevestigd zijn.
Als geheel maakte deze grondwet een vooruitstrevende indruk in een tijd die bekend staat als het restauratietijdperk. In veel landen was men er op uit de vernieuwingen van de revolutie ongedaan te maken, al gelukte dit vaak slechts ten dele. In België gold de grondwet als 'liberaal', maar deze term hield voornamelijk het kenmerk 'antiklerikaal' in. Vooruitstrevenden verzetten zich in het Zuiden tegen de verstikkende invloed die het kerkelijk gezag daar vaak had uitgeoefend.
Ook inzake de grondwet bleek al spoedig dat de regering hier moeilijkheden kon verwachten. De Belgische clerus nam namelijk van het begin af aan een onverzoenlijke houding aan tegen de vereniging met het protestantse noorden en zijn 'ketterse' koning. De vereniging werd daarom voorgesteld als een hemelse straf en hoewel de Willem I o.m. door een gift aan de kerk wel poogde de katholieke geestelijkheid gunstiger te stemmen, bleek dit streven al spoedig ijdel.
Deze tegenstand kwam voor Willem I nogal onverwacht. In Duitsland had hij namelijk ervaren dat de kerk zich daar altijd gewillig schikte naar de wensen van de landsvorst. Hier in België lagen de zaken echter anders en met name de bisschop van Gent, mgr. De Broglie, bood felle weerstand. Dit was des te ernstiger omdat de nieuwe grondwet nog moest worden goedgekeurd door een vergadering van Belgische notabelen.
Mgr. De Broglie veroordeelde echter in een herderlijk schrijven de grondwet, aangezien de gelijkheid der godsdiensten voor katholieken onaanvaardbaar was. Om deze reden stemde dan ook een aantal notabelen tegen de goedkeuring ervan.
Men kent echter de befaamde 'Hollandse rekenkunde' waardoor de grondwet toch aangenomen werd verklaard. In de eerste plaats werden de tegenstemmen om godsdienstige redenen nietig verklaard, terwijl bovendien thuisblijvers tot voorstemmers werden gemaakt, blijkbaar uitgaande van het principe 'wie zwijgt stemt toe'.
Zo waren dan in augustus 1815 de Belgische gewesten ook grondwettig één met de Noordelijke en kon Koning Willem I in Brussel worden ingehuldigd.
1815
De opening van de Staten Generaal van het Verenigde Koninkrijk der Nederlanden in Brussel
op de troon Willem I
Den koperen Konink noemde het volk hem, omdat bij de plechtigheid weinig zilvergeld en veel koper was uitgedeeld. De eenwording met het Noorden werd in het Zuiden lijdelijk aanvaard. Zo men zich al actief had willen verzetten dan had de aanwezigheid van de geallieerde troepen dit toch onmogelijk gemaakt.
De Zuidelijke gewesten kenmerkten zich wel door een zekere eigen aard: zij hadden eerst als de Spaanse, later als de Oostenrijkse Nederlanden, sinds de zestiende eeuw ook een eigen gebiedseenheid gevormd. Dit volk is noch Brits noch Oostenrijks noch anti-Frans: het is Belgisch! schreef daarom in 1813 een Frans prefect. Toch kan niet gezegd worden, dat er bij de vorming van het Verenigd Koninkrijk een afzonderlijke Belgische natie bestond. Er leefde éen zeker gewestelijk patriottisme, dat zich voornamelijk uitte in gehechtheid aan de eigen, oude privileges. Onder het Oostenrijkse bestuur hadden de gewesten hun eigen instellingen alsmede een zekere mate van onafhankelijkheid behouden. De Franse revolutie had daar korte metten mee gemaakt, maar nu kwam de gedachte aan de eigen aard van deze gewesten weer naar voren.
De meeste leden van de adel en geestelijkheid hadden daarom het liefst een herstel van het Oostenrijkse gezag over de Zuidelijke Nederlanden gezien: niet zozeer uit sympathie voor de Habsburg Monarchie als wel omdat dit de beste garantie voor het voortbestaan van de oude instellingen leek te bieden.Wordt zsm vervolgd
We kregen de volgende uitvoerige toelichting vanuit België, van Gunter Vandeplas:
Na uw gedeeltelijk voltooide tekst over het kortstondige bestaan van het koninkrijk der Nederlanden gelezen te hebben wil ik toch enkele opmerkingen maken. Ten eerste vertrekt uw tekst duidelijk vanuit het standpunt van wat nu Nederland is. Als men dat zo ziet, dan vrees ik er voor dat u enkele cruciale details over het falen van dat koninkrijk niet ten volle kan verklaren. Hopelijk kan ik hier u een beetje op een verstaanbaarder pad loodsen.
U beschrijft uitvoerig de gevolgen van de Napoleontische oorlogen op de Republiek der Verenigde Nederlanden, later Bataafse republiek en koninkrijk onder dat neefje van Napoléon en dus enkel het huidige Nederland. Het zou echter ook interessant zijn, gezien het toch ook over “België” gaat, om over die gebieden kort te zeggen wat er mee gebeurd was na jullie onafhankelijkheid met de vrede van Munster/Westfalen. Enkele factoren zijn van groot belang denk ik voor uw “tekst-in-wording”.
Zo zijn een groot deel van de gebieden die men ooit tot de 17 provinciën rekende, Frans grondgebied geworden. Gebieden als Artois, Kamerijk en grote delen van Henegouwen en Vlaanderen waren reeds voor de Franse revolutie uitbrak door de Fransen geannexeerd na verschillende oorlogen. Dat Willem deze gebieden zou kunnen opeisen op het Congres van Wenen om zijn ideaal van de 17 provinciën te realiseren, zou zeer twijfelachtig zijn. Men wilde Frankrijk niet te zeer verzwakken omdat het anders op wraak zou uitzijn (niet zo’n domme gedachte, de Duitse annexatie van Elzas-Lotharingen is één van de aanleidingen tot de Eerste Wereldoorlog, waarna de Duitsers op weerwraak uit waren…)
Met de Franse revolutie, kwam ook het naar buiten treden van die revolutie. Eerst kwamen de ideeën, daarna de legers. In de periode 1789-90 was er de Brabantse Omwenteling, een opstand van “Belgen” tegen de Oostenrijkse keizer Jozef II, een verlicht despoot die de oude instellingen (zoals de Staten van Vlaanderen en Brabant) wilde afschaffen en vervangen met modernere instellingen. Onder de opstandelingen waren er twee groeperingen: één groep van hoofdzakelijk advocaten (Vonckisten) was beïnvloed door Franse denkers en ze stonden voor democratische hervormingen, de andere groep (Statisten) was behoudsgezind (voor de bestaande instellingen en privileges voor clerus en adel) en vormde de meerderheid van de opstandelingen. De opstand was aanvankelijk succesvol, de provincies verklaarden zich onafhankelijk, iets wat ze sinds de Bourgondiërs niet meer waren. Maar gezien de internationale ontwikkelingen gingen ze zich verenigen in een confederatie: de “Vereenigde Nederlandsche Staeten”. Maar er ontstond onenigheid tussen de twee groepen en de Oostenrijkers namen “hun eigendom” in 1790 opnieuw in. Eind 1792 namen de Fransen de Oostenrijkse Nederlanden in, gevolgd door opnieuw de Oostenrijkers in maart 1793. De Fransen kwamen echter ook “terug” in juni 1794. Allemaal interessante cijfers maar het belangrijkste moet nog komen. In tegenstelling tot de ontwikkelingen in Nederland worden de Oostenrijkse Nederlanden geannexeerd door Frankrijk op 1 oktober 1795. Dit zou 20 jaar lang blijven: tot er in Waterloo, nabij Brussel een definitief einde aan de Napoleontische oorlogen komt en Europa in het Congres van Wenen een face lift krijgt die dit soort van wereldoorlogen in de toekomst moet vermijden.
Onder het Frans bestuur ontwikkelde “België” zich economisch. Enkele investeerders bezochten Engeland en kopieerden eenmaal terug in België de Engelse industriële weefgetouwen (Spinning Jenny’s). In Gent bijvoorbeeld ontstond er een belangrijke textielindustrie, in Luik dat door de Fransen ook ingenomen was (altijd een neutraal prinsbisdom geweest) staal en koolindustrie. Willem I mocht dan al wel een eerder absoluut monarch geweest zijn, hij had de steun van de Belgische industriëlen. Willem stichtte de Societé Génerale, een investeringsbank die enorm succesvol werd, hij gaf ondermeer subsidies voor de vestiging van industriëlen als Cockerill (van Engelse afkomst: kennis van machinerie), een man die fortuinen zou verdienen met zijn fabrieken in het Luikse. Voor de Belgische industriëlen waren de Nederlandse kolonies, Nederlands-Indië op kop, van zeer groot belang. Het verlies hiervan zou rampzalig kunnen zijn voor hun sector (en ze hadden ook nog gelijk). Pas in de tweede helft van de 19de eeuw werd België opnieuw een topland dat internationaal kon meedraaien op economisch vlak (mede door het kwijtschelden van de Scheldetol, wat een zeer dure afbetaling was voor de jonge staat). Vele orangisten (zij die voor de hereniging met Nederland waren) bevonden zich in kernen in steden als Gent, St-Niklaas (textiel), Antwerpen (haven) en Waalse industriecentra. Ze wensten een hereniging voornamelijk om economische redenen. Tot het akkoord met Nederland van 1839 zal deze groep een zekere invloed bezitten, nadien gaan ze op in de liberale partij.
Wie minder genoten heeft van de Fransen waren de adel en de clerus. De privileges en bezittingen werden afgenomen. Instellingen waarin deze twee standen voorname posities in hadden werden afgeschaft. De Kerk die zeer sterk stond toen in België was met dat in het achterhoofd zeer achterdochtig met de aanstelling van een protestantse vorst. Ze wilde haar oude machtspositie innemen en dat werd door Willem tegengewerkt. In de Duitse gebieden die Willem voordien beheerd zal hebben, zal niet die machtsstrijd aanwezig geweest zijn vermoed ik.
Op vlak van taal zijn de gevolgen voor de Nederlandstaligen in België toch wel aanzienlijk. Bij aanvang van het koninkrijk der Nederlanden was er al een balans opgemaakt van de verfransing. Na Brussel was de meest verfranste stad in de Nederlanden Maastricht. Men zou kunnen vermoeden dat als het koninkrijk der Nederlanden had kunnen blijven bestaan, de verfransing van de “Vlaamse steden” eerder zou zijn afgenomen. Met het koninkrijk België werden Nederlandstalige en Duitstalige gebieden ook in het Frans (de enige landstaal) beheerd. Dat had niet altijd te maken met inwijking van Franstaligen, het was eerder een probleem van lokale adel, clerus en hoge burgerij die over de tijd heen minder Nederlands is gaan spreken. In de negentiende eeuw spreidde dat verder uit tot de middenklasse, begin twintigste eeuw ook de lagere klasse. Het onderwijzen van het Frans werd aanzien als een liberale maatregel om onderontwikkeling en armoede te bestrijden. Dit heeft rampzalige gevolgen gehad voor enkele generaties (Nederlanders begrijpen dit zelden maar stel het u toch maar eens voor: onderwijs krijgen in een vreemde taal en op school verboden worden om op de speelplaats het te praten). Spijtig zijn die Vlamingen niet alleen, in Amerika zijn honderdduizenden Franstaligen uit zuiderse staten en voornamelijk Louisiana gedwongen om Engels te leren.
Gunter voegt er nog aan toe:
U kan er misschien ook aan toevoegen dat die Gentse orangisten geen Nederlands- maar Franstaligen waren. De Vlaamse Beweging is pas in de loop van de jaren 40 van de 19de eeuw ontstaan en oorspronkelijk als weinig invloedrijke groep.
Ook dus nog dit citaat uit het verhaal
De geschiedenis van de grens van Nederland
aan toe:Op onze site hebben we ook nog een verhaal over de invloed van de Raad van State op het ontstaan van de 80-jarige oorlog inklusief een verhaal over de namen van de Zeventien Provinciën, waaruit uiteindelijk Nederland, België en Luxemburg zijn onstaan. Klik maar eens HIER.
1817
Het Verenigde Koninkrijk der Nederlanden
Eerst in 1815 is door het Weener Congres de aansluitende gebiedsstrook geschapen, waardoor van Nijmegen via Gennep, Venlo en Roermond, met den corridor bij Sittard, de eenheid tot Maastricht is vastgelegd. Er hebben daartoe met Pruisen verschillende uitwisselingen en rectificaties plaats gehad.
't Gebied van Zevenaar is nog langen tijd in kwestie gebleven.
Tot dicht bij de poorten van Aken strekten zich eens Nederlandsche enclaves uit. De territoriale regeling van 1815 is daar tusschen Maas en Rijn het meeste een zaak van diplomatiek meeningsverschil geweest. Nederlandsche projecten waren zéér ver Oostwaarts gegaan, strekten zich tot Düsseldorf en Keulen, ja, tot Bonn en Coblenz uit.
Voor Pruisen werd omgekeerd gedacht aan België, tot aan de kust, en in ieder geval aan de Maas als grens. Het resultaat is voor ons land de waarlijk niet onbescheiden toemeting geworden van één dóórloopende Nederlandsche grens, óók aan de Oostzijde van de Maas. Een Maas-"lisière", een kanonschot (van dien tijd) breed. Zoo is aldus oudnederlandsch gebied tot de provincie Limburg vereenigd.
Plaatsen als Gennep zijn er zoo bij gekomen, andere vielen af.
Verschillende, zeer uiteenloopende plannen, van 1800 tot 1813 door de Europeesche kabinetten ontworpen ten einde in dien hoek van ons werelddeel een gewaarborgde politieke rust te verzekeren, zijn trouwens in hunne verscheidenheid de belangstelling overwaard.
Zij zouden interessante stof opleveren voor een afzonderlijke toelichting, maar die noodzakelijk zéér wijdloopig zou moeten zijn, omdat er zóóvele bijzonderheden bij zijn gemoeid. Andere namen waren wel meer geëigend geweest voor een gewest, dat nu met het oude Hertogdom Limburg zéér weinig of niets meer te maken heeft en ook de stad Limburg niet meer omvatte.
Ter plaatse voelde men dan ook aanvankelijk meer voor de lang bekende namen als: 't Land van Overmaas, of: Opper-Gelder. Van den Zuidelijken kant: 't Graafschap Loon. Alle waren wat juister geweest! Maar zeer oude herinneringen, tot voor den tijd van Keizer Karel V, hebben ook hier beslist.
En, hoe het zij, het gebied heeft zich zijn eigen karakter volkomen eigen gemaakt.
Ooit gaan we ook nog eens een verhaal maken over de Zuidelijke Nederlanden, het huidige België, daar was een hele komplexe situatie ontstaan, inklusief de al genoemde Staatse Barrière Steden en Forten:
De Zuidelijke Nederlanden in de 18e eeuw
Op de onderstaande kaart zijn een aantal Staatse Barrière Steden aangegeven, steden waar de verdediging in handen was van Staatse troepen.
Het idee achter de Staatse Barrière Steden was dat een binnendringend Frans leger in de Zuidelijke Nederlanden moest worden opgevangen en zodanig verzwakt dat een verdere opmars van het Franse Leger naar het grondgebied van de Republiek vertraagd c.q. verhinderd werd. Maar dat verhaal komt nog een keer.......
Kaart met o.m. de Staatse / Nederlandse Barrière Steden in de Zuidelijke Oostenrijkse Nederlanden:
- Veurne
- Fort Knokke
- Ieper
- Warneton
- Menin
- Doornik
- Dendermonde
- Namen
Geinteresseerd in een historische rondleiding voor uw eigen groep(je) door Aad 'arcengel' Engelfriet, webmaster van deze grootste Nederlandstalige geschiedenis website, door o.m. een stad of streek in bijv. Nederland, België, Duitsland, Groot-Brittannië, Ierland en/of een historische lezing, publicatie, recensie:
Voor meer vrijblijvende informatie
aad@engelfriet.netWilt U eerst meer weten over Aad Engelfriet:
klik dan HIER
![]() |
wat zijn we trots op ons familiewapen ...., beetje jaloers zeker .... |
Terug naar de top |
---|