(klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen) |
Terug naar het Engelfrieten overzicht |
---|
Naar beneden |
---|
Een zeer gewaardeerde bijdrage van Gerrie van der Laan
Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email: aad@engelfriet.net
Op onze site kun je meer vinden over de in dit verhaal genoemde namen en aspekten, gebruik daarvoor onze zoekmachine:
Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld pest en klik op ENTER
De pest in Rotterdam
Hertaling.
Het Pesthuis schijnt ondergebracht te zijn geweest in het St. Anna's Zusterenklooster te Rotterdam, althans in de geschiedkundige beschrijving van de grote brand te Rotterdam, die aanving op zaterdag 10 juni 1563, wordt vermeld:
"dat ook voor een groot gedeelte een prooi der vlammen was het St. Anna's Zusterenklooster aan het einde der Goudse Wagenstraat, sedert 1559 tot het Pesthuis ingericht".
Dit St. Anna's Zusterenklooster werd in 1441/1442 gebouwd in de Goudse Wagenstraat op de grond van het tegenwoordige (1934) Grote Weeshuis. Omtrent dit klooster vermeldt Dr. Nicolaas Zas (1610-1663) in zijn beschrijving en kroniek van Schieland en Rotterdam nog het navolgende:
"Het tegenwoordige Weeshuis, staande en gelegen aan de westzijde van de Goudse Wagenstraat dicht onder de Goudse poort, is vanouds het zusterhuis van St. Anna of het Weduwenhuis, zijnde gebouwd voor arme weduwen. Dit is in het jaar 1557 tot Pesthuis gemaakt, welk Pesthuis in de grote Rotterdamse brand in het jaar 1563 op de 10de juli geheel en al verbrand en vernietigd is en binnen twee jaar daarna wederom uit nood tot Pesthuis gerepareerd is, hetwelk daarna in het jaar 1598 vergroot en tot het Weeshuis van de stad gemaakt is, waarvan nog heden ten dage een oude rijmmemorie in hetzelfde weeshuis te zien is.
"De ouwe kouwe weeuw Sint Ann',
Die prophetesse, koos God tot man."
De bewoonsters schijnen een soort liefdadige zusters (soeurs de charité) te zijn geweest. Toen de stad na 1490 aan de noordoostzijde werd ingekort, werd een gedeelte van de tot het klooster behorende grond door de nieuwe stadsvest doorsneden. Doordat het klooster voortdurend in bloei schijnt te zijn afgenomen, werd het kloostergebouw te groot in verhouding tot het geringe aantal kloosterlingen. Dit was voor de "stadsdienst" aanleiding om te trachten deze gebouwen in eigendom te verkrijgen, doch dat dit niet gemakkelijk is gegaan moge blijken uit het navolgende:
In oktober 1536 gingen er in de Vroedschap stemmen op om pogingen aan te wenden het Anna Zusterhuis in eigendom van de stad te doen overgaan. De bedoeling schijnt te zijn geweest om aldaar het Heilige Geesthuis te stichten onder voorwaarde, dat aan de zusters, indien zij voortgingen de armen te dienen, levenslang onderhoud zou worden verschaft.
Ofschoon ook later meerdere aanbiedingen aan de nonnetjes werden gedaan, bleef de zaak traineren. Op 23 april 1547 zou er door de Vroedschap opnieuw zijn besloten de onderhandelingen te hervatten en de zusters ertoe te bewegen naar het Bagijnhof te verhuizen. De zusters wilden echter niet. Na ook elders het hoofd te hebben gestoten, moesten de aanbiedingen aan de nonnetjes nog meer worden verhoogd en eerst, nadat aan elk der twaalf nog in leven zijnde kloosterlingen, een jaargeld en een lijfrente waren aangeboden, werd het klooster ter beschikking van het stadsbestuur gesteld.
Voordat het St. Anna's Zusterenklooster tot Pesthuis werd verbouwd, schijnt voor de verplegers van pestlijders en ook wel van krankzinnigen te zijn gebruikt de zogenaamde oude "Sickeduel", die ergens aan de stadsvest tussen de Goudse- en Delftse Poort, niet ver van Pompenburg, zou hebben gestaan. Het is mogelijk dat deze "Sickeduel" ook algemeen ziekenhuis is geweest. In 1547 was dit gebouw reeds bestemd tot de openbare bordelen, (aan welke een afgezonderde plaats was aangewezen), doch het schijnt wel vast te staan, dat tot 1557 lijders aan besmettelijke ziekten in voornoemd gebouw werden verpleegd.
Waarschijnlijk door de hierboven vermelde grote brand van 1563, die het gebouw zo goed als vernielde, schijnen er geen beschrijvingen van dit oude Pesthuis te bestaan. Binnen twee jaar werd het in zoverre hersteld, dat het desnoods weer kon dienen tot verpleging van ongelukkige lijders. Toch zou dit gebruik niet lang duren, daar reeds in 1597 de Vroedschap haar oog liet vallen op deze gebouwen om ze in te richten tot tehuis voor de burgerwezen.
In de "Korte beschrijving der stad Rotterdam" van H.W. Rotshouck staat vermeld:
"Deze tijd was het Weeshuis nog in de Weste Wagenstraat, dat het nonnenklooster is geweest, en toen waren daar maar vijfentwintig weeskinderen in, want daar mochten geen burgerkinderen in komen. Daarna is het Weeshuis gesticht bij de Goudse poort, dat het Pesthuis was geweest."
In dezelfde korte beschrijving komt de notitie voor:
"Anno 1599 is het Pesthuis op 't oosteinde gefundeerd".
De 15de september 1599 werd de eerste steen gelegd van het nieuwe Pesthuis, hetwelk werd gesticht op gronden gelegen aan de Hoogstraat, ten oosten van het Gasthuis, hetwelk werd gebouwd op terreinen van het Predikherenklooster. Ter gelegenheid van dit heuglijke feit zou een steen zijn ingemetseld, met het opschrift:
In het jaar 1599, zonder confuis, heeft Jan
Claessoen den eersten steen gelegt van dit huis.
Zoals in die dagen gebruikelijk was, werd in een andere steen het doel der inrichting aangeduid en wel aldus:
De heren van de stad hebben bedocht,
Dit huis te bouwen,
Voor mannen en vrouwen,
Die met de gave Gods zullen worden bezocht.
Met "de gave Gods", wordt in dit opschrift de gevreesde ziekte de pest bedoeld. Het behoeft niet tot de onmogelijkheden te behoren, zoals reeds eerder is opgemerkt, dat in het Pesthuis tevens andere besmettelijke ziekten werden verpleegd. Dat de inrichting kortweg werd aangeduid als "Pesthuis", komt overeen met wat zich heeft voorgedaan in andere steden, waar de stadsregering zich ook verplicht voelde maatregelen tegen deze ernstige ziekte te nemen, de vreselijke plaag, die meermalen West-Europa teisterde en toentertijd de "Zwarte Dood" genoemd werd.
Als jaren, waarin de pestepidemie hevig heerste, worden vermeld: 1602, 1603, 1624, 1635, 1639 en 1662. In 1624 zouden door de binnenvader en binnenmoeder een paar geschilderde glasruiten zijn geschonken.
Deze beide in loodgevatte ruitjes bevinden zich nog (anno 1934), zij het ook beschadigd, in het Museum van Oudheden te Rotterdam. Een tekening ervan bevindt zich in het Stadsarchief van Rotterdam.
In de korte beschrijving van de stad Rotterdam van P. de Raadt is onder andere genoteerd:
"In 1624 was er binnen Rotterdam grote pestilentie en waren er in het Pesthuis van de 8ste april 1624 tot de 25ste april 1625 zeshonderd drieënzestig zieke mensen gekomen, waarvan er driehonderd tweeëndertig zijn gestorven en driehonderd eenendertig zijn genezen."
De cijfers stemmen niet overeen met die genoemd in de glas-in-loodraampjes, doch door deze notitie wordt wel bevestigd, dat er toen een zeer ernstige epidemie heeft gewoed.
Na 1662 zijn geen belangrijke epidemieën meer opgetekend. Wel is door kroniekschrijvers geconstateerd dat, toen in 1662 een ernstige epidemie was uitgebroken in Amsterdam, deze niet te Rotterdam heeft geheerst.
Vóór de bouw van het nieuwe Pesthuis in 1599 geschiedde de verpleging van geesteszieken ook wel in andere godshuizen, onder andere in het Leprooshuis en het Grote Gasthuis. Omdat deze huizen niet voor deze verpleging waren ingericht, had in de regel de opneming niet zonder protest plaats.
Eerst in 1609 is een besluit genomen voor de verpleging van krankzinnigen bijzondere maatregelen te nemen. Wanneer men in aanmerking neemt hoe op dit ogenblik (1934) de krankzinnigen worden verpleegd en gehuisvest, dan doet het wel enigszins vreemd aan te lezen, dat de nieuwe maatregel slechts bestond uit het bouwen van enige kleine huisjes achter het toen pasgebouwde Pesthuis in het oosteinde van Rotterdam aan de Kipsloot, in elk waarvan een krankzinnige kon worden "bewaard". Zij werden gerekend tot het Pesthuis te behoren, hetgeen hieruit blijkt, dat het bestuur van het Pesthuis over bedoelde huisjes het beheer voerde. De 25ste september 1609 werd met de bouw der huisjes aangevangen.
Hoogstwaarschijnlijk zijn vóór 1609 in het Pesthuis ook reeds krankzinnigen en idioten verpleegd, omdat reeds in 1608 Regenten van het Pest- en Dolhuis in de annalen van de stad voorkwamen. Verklaarbaar is het wel, dat het Pesthuis voor dit doel werd gebruikt, omdat deze inrichting niet steeds pestlijders had te verzorgen. De mogelijkheid bestaat dan ook, dat de hierboven genoemde uitbreiding van het Pesthuis met enige huisjes speciaal noodzakelijk werd wegens "bewaring" van de "onrustige" patiënten.
Het algemeen beheer werd gevoerd door een college, dat kortweg werd aangeduid met: "De Pesthuismeesters". Deze werden het eerst genoemd in 1608. Het waren in dat jaar de heren:
Dirck Aertsz van Alphen,
Abraham Dircksz.
Bouwen Michielsz.
Voordien schijnen het Gasthuis en het Heilige Geesthuis tevens belast te zijn geweest met het beheer van het Pesthuis. Er is althans sprake van rentebrieven van deze beide huizen ten gunste van het Pesthuis, toen dit zelfstandig werd. Volgens de Ordonnantie van de Weeskamer van 1593 was het beheer van de goederen van de krankzinnigen in dat jaar nog toevertrouwd aan de Weeshuismeesters, doch later schijnt dit op de Pesthuismeesters te zijn overgegaan.
Twaalf gulden per week bedroeg de verpleegprijs voor de gegoeden (Zie de artikelen 5 en 6 der "Ordonnantie"). De minder goed gesitueerden betaalden zes gulden per week en de minvermogenden drie gulden per week. Dat een armlastige niet tot het betalen van verpleeggeld verplicht was, zou thans ongetwijfeld anders zijn omschreven, dan dat in 1626 geschiedde in artikel 8 der "Ordonnantie". In het bepaalde van artikel 9 ligt ten dele een verklaring van het ontstaan van belangrijke bezittingen van "Godshuizen". Het Pest- en Dolhuis is er echter niet "vermogend" van geworden.
De Pesthuismeesters of Regenten werden in hun arbeid bijgestaan door hun echtgenoten, die als het ware de positie van Regentessen hadden. Voor deze vrouwelijke bestuurders was ook een afzonderlijke vergaderkamer beschikbaar.
In plaats van Regenten en Regentessen werden ze ook wel de buitenvaders en buitenmoeders genoemd, in tegenstelling met de met het dagelijks beheer belaste binnenvader en binnenmoeder.
Een zeer gewaardeerde bijdrage van Gerrie van der Laan
Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email: aad@engelfriet.net
Op onze site kun je nog meer verhalen vinden van haar, gebruik daarvoor onze zoekmachine:
Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Gerrie van der Laan en klik op ENTER
![]() |
wat zijn we trots op ons familiewapen ...., beetje jaloers zeker .... |
Terug naar de top |
---|